2.2 Configuraties en moeilijkheidsgraden van steigers

Sterkte, stijfheid en stabiliteit van een steiger moeten gedurende montage, gebruik, aanpassing en demontage continue gewaarborgd zijn. Door een sterkte- en stabiliteitsberekening van de constructie, in combinatie met een degelijk werkplan voor montage tot en met demontage, kan een dergelijke borging tot stand komen.

Opmerkingen.

  1. De visualisatie (schets, schema, tekening enz.) van de configuratie moet vanaf start montage op de bouwplaats aanwezig zijn. Op verzoek van controlerende functionarissen of instanties moeten de desbetreffende berekeningen overlegd kunnen worden. In ieder geval bij oplevering en daarna. Voor Standaardconfiguraties volgens de Richtlijn Steigers is het voldoende om in plaats van berekening naar deze Richtlijn te verwijzen. Voor alle overige configuraties mag de berekening op het kantoor van het bedrijf beschikbaar gehouden worden. Zie ook de opmerkingen onder de punten 3 en 4.
     
  2. Naast de minimale borgingseisen bij overdracht, moet beoordeeld worden of de constructie door de werkwijze en volgorde tijdens de montage en demontage, ook tijdens deze fases continue een veilige werkplek voor de monteur biedt. Een taak risico analyse (TRA) voor de montage en demontage werkzaamheden kan hier een oplossing bieden, echter andere vormen zijn ook denkbaar.
     
  3. Waar in dit hoofdstuk sprake is van constructeur betreft dat steeds een constructeur op HBO-niveau met minimaal 1 jaar aantoonbare ervaring op gebied van steigerbouw.


Hieronder wordt een beheerst borgingsproces beschreven. De indeling is als volgt:

  1. Voor de diverse configuraties worden verschillende typen benoemd, zie 2.2.1;
  2. Kenmerken van de verschillende typen worden benoemd en de te treffen borgingsmaatregelen, zie 2.2.2
  3. De toekenning van verantwoordelijkheden, zie 2.2.3.

Indien wenselijk of noodzakelijk kan een constructeur te allen tijde besluiten om af te wijken van de voorgeschreven procedures, mits er voldaan wordt aan de rekentechnische uitgangspunten beschreven in de Richtlijn Steigers.
 

2.2.1 Typen van configuratie

De diverse steigerconfiguraties kunnen als volgt worden getypeerd:

1a Standaardconfiguraties volgens de Richtlijn Steigers
1b en c Gestandaardiseerde bedrijfs- en fabrikantconfiguraties
2,3 en 4 Afwijkende configuraties



 

 

1a. Standaardconfiguraties
De Richtlijn Steigers heeft een aantal configuraties voor veel voorkomende eenvoudige gevel/objectsteigers uitgewerkt in hoofdstuk 2.2.6 en deze als ‘Standaardconfiguratie RS’ benoemd. In deze richtlijn wordt onder standaardconfiguratie RS verstaan: een aantal varianten (bouwvormen) van gevel/object steigers waarvoor een voldoende zekerheidsniveau wordt gegarandeerd onder de in de Richtlijn Steigers gegeven voorwaarden. Voor deze standaardconfiguraties zijn geen verdere aanvullende statische berekeningen benodigd.

1b. Gestandaardiseerde bedrijfsconfiguraties
Steigerconstructies die niet voldoen aan de standaardconfiguratie RS , maar wel regelmatig voorkomen, kunnen op bedrijfsniveau worden gestandaardiseerd als een ‘Bedrijfsconfiguratie’. Dergelijke configuraties dienen volledig te zijn onderbouwd volgens de voorwaarden en rekenmethoden zoals benoemd in de Richtlijn Steigers. Desgewenst moeten de desbetreffende berekeningen en visualisatie (schets, schema, tekening enz.) van de configuratie kunnen worden overlegd.


1c. Gestandaardiseerde fabrikantconfiguraties
Steigerconstructies die niet voldoen aan de standaardconfiguratie RS, kunnen op fabrikantniveau worden gestandaardiseerd als een ‘Fabrikantconfiguratie’. De fabrikant kan met zijn specifieke kennis van het materiaal configuraties voorstellen die voldoen aan de gestelde randvoorwaarden. Fabrikantconfiguraties moeten volledig zijn onderbouwd volgens de voorwaarden en rekenmethoden zoals benoemd in de Richtlijn Steigers. Desgewenst moeten de desbetreffende berekeningen en visualisaties kunnen worden overlegd.

2, 3 en 4. Afwijkende configuraties
Dit betreft configuraties die, om uiteenlopende redenen niet gestandaardiseerd zijn. Zulke configuraties zijn vaak project- en locatiegebonden en variëren van een enkele aanpassingen aan een standaardconfiguratie tot volledig afwijkende constructies met veel locatiegebonden beperkingen. Deze configuraties moeten altijd door een constructeur worden beoordeeld. De constructeur zal de configuratie dan indelen in een van de moeilijkheidsgraden 2, 3 of 4 (zie fig2.2.31), zijnde:

2. Gestandaardiseerde configuratie met afwijking
3. Speciale configuratie
4. Uitzonderlijke configuratie

Zie ook fig. 2.2.51 Stroomschema bij steigerontwerp

2.2.2 Kenmerken voor de vaststelling van het configuratietype en van borgingsmaatregelen

Het montagebedrijf dient zich er van te vergewissen dat de deugdelijkheid van de constructie gedurende de montage en de demontage te allen tijde gewaarborgd is. Tijdens de gebruiksfase is dat de taak van de opdrachtgever/gebruiker. Het is noodzakelijk het configuratietype vast te stellen van de te monteren constructie (zie onderstaand) en de benodigde borgingsmaatregelen vast te stellen.

Voor de vaststelling van het type van een configuratie is het noodzakelijk om de kenmerken van de verschillende configuraties te benoemen. De benoemde kenmerken moeten worden gezien als indicatief, er bestaat altijd een mogelijkheid dat deze niet volledig aansluiten op de werkelijkheid (as built). Bij twijfel altijd een constructeur raadplegen.

Om bij de overdracht van de steiger de deugdelijkheid van de constructie te borgen worden (zie onderstaand) de minimale eisen opgegeven. Voor niet-gestandaardiseerde configuraties moet per situatie, in goed overleg met een constructeur, worden vastgesteld of de minimale eisen ook werkelijk alle voorkomende risico’s voldoende afdekken.

1a. Standaard configuraties RS
Kenmerken:

  • Configuraties die voldoen aan de in hoofdstuk 2.2.3 gegeven voorwaarden.

Borging:

  • Configuraties voldoen aan de in hoofdstuk 2.2.3 gegeven voorwaarde.
  • Aanvullende berekening en visualisatie (schets, schema, tekening enz.) is niet noodzakelijk.


1b. Bedrijfsconfiguraties
Kenmerken:

  • Configuraties die niet voldoen aan de in hoofdstuk 2.2.3 (standaard configuratie) gegeven voorwaarden.
  • Configuraties die, door montagebedrijf of opdrachtgever, zijn gestandaardiseerd om gebruikt te worden voor veel voorkomende constructies in gelijkwaardige situaties, al dan niet locatie gebonden.

Borging:

  • Bedrijfsconfiguraties worden onderbouwd met een berekening en tekening of schema e.d. volgens de Richtlijn Steigers.
  • Bedrijfsconfiguraties mogen alleen worden toegepast indien de omgevingsfactoren (ondergrond, achtergrond, wind, etc.) vallen binnen de uitgangspunten van de desbetreffende berekening en tekening etc.
  • Bedrijfsconfiguraties worden gemaakt door, en zijn eigendom van het steigerbouwbedrijf of de opdrachtgever. Bouwen volgens een bedrijfsconfiguratie mag alleen met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming en instructie van de eigenaar van die bedrijfsconfiguratie.

1c. Fabrikantconfiguraties
Kenmerken:

  • Configuraties die niet voldoen aan de standaardconfiguratie RS.
  • die door de fabrikant zijn gestandaardiseerd om gebruikt te worden voor veel voorkomende constructies in gelijkwaardige situaties. Deze configuraties zijn nooit locatie gebonden.

Borging:

  • De sterkte, stijfheid en stabiliteit van de configuratie word door een constructeur onderbouwd met een berekening en tekening etc. volgens de Richtlijn Steigers.
  • Fabrikantconfiguraties mogen alleen worden toegepast indien de omgevingsfactoren (ondergrond, achtergrond, wind, etc.) vallen binnen de uitgangspunten van de desbetreffende berekening en tekening etc..
  • Fabrikantconfiguraties zijn eigendom van en worden gemaakt door de fabrikant en zijn alleen van toepassing op constructies die gemonteerd worden volgens de instructie en met het voorgeschreven materiaal van de fabrikant.


Afwijkende configuraties

2. Gestandaardiseerde configuraties met afwijking

Kenmerken:

  • Standaard configuratie RS, bedrijfsconfiguratie, fabrikantconfiguratie of combinatie hiervan die op enkele locaties binnen de constructie afwijkt van de standaardvoorwaarden.
  • Afwijkingen kunnen worden opgelost met standaard steigermaterialen.
  • Afwijkingen zijn beperkt van omvang.
  • Afwijkingen kunnen vaak in het werk worden opgelost door een 1e monteur waarna de oplossing ‘zoals gebouwd’ ter beoordeling zal worden aangeboden aan een constructeur.

Borging:

  • Afwijkingen worden altijd door een constructeur beoordeeld, tenzij de afwijking zelf gestandaardiseerd is.
  • Indien de constructeur een afwijking als constructief correct beoordeelt, wordt deze vastgelegd en voor akkoord getekend door de constructeur. Vastlegging kan op diverse manieren geschieden. Van een handmatige schets met aantekeningen en/of aanvullende instructies, eventueel per e-mail, tot compleet uitgewerkte tekeningen en berekeningen. De constructeur bepaalt hier wat hij/zij noodzakelijk acht voor de specifieke situatie.

3. Speciale configuraties

Kenmerken:

  • Configuraties die niet voldoen aan de standaardconfiguratie RS.
  • Configuraties die niet ondergebracht zijn onder een Bedrijfs- of Fabrikantconfiguratie en niet kunnen worden aangemerkt als een standaard met afwijking. Zie par. 2.3 voor de aandachtspunten.
  • Configuraties die gebonden zijn aan specifieke eisen en beperkingen met betrekking tot het gebruik, het project- en/of de locatie.
  • Configuraties die kunnen worden uitgevoerd met standaard steigermaterialen.
  • Configuraties waarbij de werkwijze niet of nauwelijks afwijkt van de werkwijze bij de standaard en gestandaardiseerde configuraties.

Borging:

  • De sterkte, stijfheid en stabiliteit van de configuratie wordt door een constructeur onderbouwd met een berekening en tekening etc. volgens de Richtlijn Steigers.
  • Het verdient aanbeveling om de constructeur te betrekken bij het opstellen van het montage en demontage werkplan, de overdracht en de omschrijving van de gebruiksinstructies.

Opmerking.

In bijzondere situaties kan het ontwerpproces ook parallel lopen aan de montage. Hierbij wordt, in complexe situaties, gedurende het proces continu bepaald of de sterkte, stabiliteit en stijfheid van de constructie gewaarborgd blijven. In een dergelijke situatie dient vooraf, middels bijvoorbeeld een TRA, te worden vastgesteld hoe dit proces zal gaan verlopen!


4. Uitzonderlijke configuraties.

Kenmerken:

  • Configuraties die niet voldoen aan de standaardconfiguratie RS.
  • Configuraties die niet ondergebracht zijn onder een Bedrijfs- of Fabrikantconfiguratie en niet kunnen worden aangemerkt als een standaard met afwijking.

Overige kenmerken die al of niet van toepassing kunnen zijn

  • Configuraties die gebonden zijn aan specifieke eisen en beperkingen betreffende het gebruik, het project- en/of de locatie.
  • Configuraties die deels niet kunnen worden uitgevoerd met standaard steigermaterialen.
  • Configuraties waarbij de werkwijze sterk afwijkt van de werkwijze bij de standaard en gestandaardiseerde configuraties.
  • Het gebruik van en het werken op de steiger wijkt sterk af van de manier waarop dit gedaan wordt op de standaard en gestandaardiseerde configuraties.

Borging:

  • De sterkte, stijfheid en stabiliteit van de configuratie worden door een constructeur onderbouwd met een berekening en tekening etc. volgens de Richtlijn Steigers.
  • Het verdient sterke aanbeveling om de constructeur gedurende de voorbereiding en de uitvoering van het project, actief te betrekken bij het opstellen van een montage en demontage werkplan, de overdracht en eventueel de beschrijving van de gebruiksinstructies.

Opmerking.

In bijzondere situaties kan gestart worden vanuit een basisontwerp dat aanwezig moet zijn. Het vervolg van het ontwerpproces mag dan parallel lopen aan de montage. Hierbij wordt, in complexe situaties, gedurende het proces continu bepaald of de sterkte, stabiliteit en stijfheid van de constructie gewaarborgd blijven. In deze gevallen moet de constructeur daarbij voortdurend betrokken zijn. In een dergelijke situatie dient vooraf, middels bijvoorbeeld een TRA, te worden vastgesteld hoe dit proces zal gaan verlopen! 

2.2.3 Verantwoordelijkheid en competenties

Het steigerbouwbedrijf is er voor verantwoordelijk dat de moeilijkheidsgraad (zie fig.2.2.31) van de configuratie op de visualisatie (tekening, schets, schema enz.) wordt vermeld. Het montagebedrijf houdt zich aan die indeling (qua moeilijkheidsgraad) en is verantwoordelijk de borging van de deugdelijkheid van de constructie tot en met de oplevering.

Voordat een configuratie in gebruik genomen kan worden doorloopt deze 4 fases, te weten:

  • Ontwerp (Richtlijn Steigers - hoofdstuk 2)
  • Werkvoorbereiding (Richtlijn Steigers - hoofdstuk 3)
  • Uitvoering (Richtlijn Steigers - hoofdstuk 4)
  • Oplevering (Richtlijn Steigers - hoofdstuk 5)

Deze fases worden uitgebreid behandeld in de Richtlijn Steigers onder de genoemde hoofdstukken.

Afhankelijk van het type configuratie zijn deze fases meer of minder omvattend, één en ander geheel passend bij de moeilijkheidsgraad van de betreffende constructie. Om deze fases zelfstandig te kunnen uitvoeren voor de diverse configuraties dient men te beschikken over de juiste, aantoonbare, competenties. De benodigde competenties worden in hoofdstuk 7 van de Richtlijn Steigers gekoppeld aan de diverse voorkomende functies. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de constructeur niet behandeld wordt, hiervoor verwijzen wij naar de desbetreffende beroepsopleiding (HBO-niveau).

In onderstaande tabel wordt weergegeven welke minimale competenties (weergegeven als functies) er benodigd zijn om de verschillende fases zelfstandig te kunnen uitvoeren en verantwoorden.

 

  Moeilijkheidsgraden Minimaal vereiste competenties

volgens de functies:

  • Hulpmonteur HM
  • Monteur M
  • 1e Monteur M1
  • Voorman V
  • Constructeur C
Vastlegging
Ontwerp Voorbereiding Montage Oplevering
1 Standaard configuratie RS *) M

HM**)
M

M1
TRA/werkplan.
Bedrijfsconfiguratie Fabrikantconfiguratie *) M1 M1 M1 TRA/werkplan. Algemene visuele weergave. Algemene onderbouwende berekening volgens RS.
2 Afwijkende configuratie C M1 M1 M1 TRA/werkplan. Visuele weergave of beschrijving van afwijking. Schriftelijke goedkeuring constructeur.
3 Speciale configuratie C C M1 M1 TRA/werkplan. Visuele weergave configuratie.
4 Uitzonderlijke configuratie C C M1 M1***)+C
V+C
TRA/werkplan. Visuele weergave configuratie.

*) Ontwerp bestaat al
**) Onder toezicht (zie hoofdstuk 7)
***)  Met minimaal 5 jaar ervaring én certificaat Steigerinspecteur

Figuur 2.2.3.1 Moeilijkheidsgraden, competenties en vastlegging

2.2.4 STEIGERBOUWVORMEN

Er wordt in de Richtlijn Steigers onderscheid gemaakt tussen drie bouwvormen

  1. Gevel-/objectsteigers
  2. Metselsteigers
  3. Ruimtesteigers
  4. Overige.
  1. Gevel-/objectsteigers
    Een gevel-/objectsteiger heeft twee staanderrijen parallel aan de wand of het object waaraan werkzaamheden worden verricht. Kenmerken zijn dat de steiger zijn stabiliteit en stijfheid door verankering ontleent aan de gevel of het object en dat diagonalen in het verticale vlak in de dwarsrichting (mogen) ontbreken. Een consequent verankeringspatroon is uitermate belangrijk. Dit type steiger komt veel voor in de bouw, maar ook in de industrie wordt deze steigeruitvoering toegepast, bijvoorbeeld langs staalconstructies of betonnen bunkerwanden. Gevel-/objectsteigers dienen te worden gebouwd volgens de standaardconfiguratie van de Richtlijn Steigers of volgens een bedrijfs- resp. fabrikantconfiguratie (op basis van tekening en berekening volgens Richtlijn Steigers). Binnen de standaardconfiguraties RS onderscheiden we twee steigeruitvoeringen: - buis- en koppeling steigers, ook wel traditionele steigers genoemd - systeemsteigers.
  2. Metselsteigers
    Een metselsteiger is een bijzondere vorm van een gevel-/objectsteiger waarbij aan de binnenzijde/gevelzijde een uitbouw of console is aangebracht (met een breedte vanaf 0,40 m t/ m 0,70 m), die wordt belast met maximaal 1,5 kN/m². Deze console kan ook op een ander niveau dan dat van de werkvloer worden aangebracht.
     
  3. Ruimtesteigers
    Een ruimtesteiger is een steiger met meerdere staanderrijen, zowel in dwars- als langsrichting. Op deze manier kan een groot werkoppervlak worden gecreëerd. Kenmerk is dat de steiger zijn stijfheid ontleent aan diagonalen die in principe in alle staanderrijen zijn aangebracht. De ruimtesteiger wordt zowel vrijstaand als verankerd toegepast. Deze uitvoering komt men vaak tegen in de industrie. Als een ruimtesteiger vrijstaand wordt toegepast zijn vaak extra maatregelen nodig voor de stabiliteit; zie paragraaf 3.3.10.

    Standaardconfiguraties van ruimtesteigers mogen volgens deze richtlijn worden gebouwd waarbij rekening dient te worden gehouden met staanderbelastingen die afhangen van de positie in de steiger. Zie schetsen 1 tot en met 4 in figuur 2.2.4.1. en de berekeningen in bijbehorende tabel (klik hier). Wanneer de hoogte/breedte-verhouding > 2, dan dient elke staanderrij op elke 6 meter hoogte in twee richtingen te worden gestabiliseerd. Dit kan door verankeren, tuien, etc.
     
    Figuur 2.2.4.1 Standaardconfiguratie ruimtesteiger
  4. Overige steigerbouwvormen
    Overige steigerbouwvormen kunnen worden gebouwd volgens een bedrijfs- resp. fabrikantconfiguratie of volgens tekening en berekening volgens Richtlijn Steigers. Deze steigerbouwvormen zijn op dit moment nog niet opgenomen binnen de standaardconfiguratie van de Richtlijn Steigers.

2.2.5 WERKWIJZE BIJ HET ONTWERP VAN EEN STEIGER

Voor het bepalen van het steigerontwerp wordt aanbevolen de Aandachtspunten Steigerontwerp
(volgens fig. 2.3) in acht te nemen. Het volgen van het stroomschema in figuur 2.2.51 kan leiden tot drie verschillende uitkomsten:
  1. de steiger voldoet aan de standaardconfiguratie Richtlijn Steigers. Als geen aanvullende statische berekening wordt gemaakt moet de constructie zijn ontworpen overeenkomstig de in paragraaf 2.2.6. opgenomen tabellen. Deze tabellen garanderen een voldoende hoog zekerheidsniveau
  1. de steiger voldoet niet aan de standaardconfiguratie Richtlijn Steigers maar wel aan de bedrijfs- of fabrikantconfiguratie. Desgevraagd moeten de berekeningen en tekeningen die ten grondslag liggen aan de bedrijfs- of  fabrikantconfiguratie worden overlegd.
  1. de steiger voldoet niet aan 1 of 2. Dan moet er een statische berekening en een tekening worden gemaakt en kunnen worden overlegd. Zie fig. 2.3 Aandachtspunten Steigerontwerp.
     
Figuur 2.2.5.1 Stroomschema bij steigerontwerp

2.2.6 STANDAARD CONFIGURATIE RS: TOELAATBARE STAANDERAFSTANDEN

De standaardconfiguratie RS is op dit moment beperkt tot gevel- / objectsteigers en metselsteigers. Vallen die binnen het kader van de standaardconfiguraties RS dan moet vervolgens de staanderafstand worden bepaald.  
Daarbij gelden naast de in de figuren 2.2.6 gegeven randvoorwaarden de volgende uitgangspunten:
  • buisdiameter 48,3 x 3,2 mm.
  • vloerbelasting, gebruikssituatie: gevel / objectsteiger standaard één vloer 100% belast. Bij een metselsteiger geldt één vloer 100% belast en één vloer 50% belast. Let op! Zie par. 2.4
  • windbelasting: Gevel-objectsteiger standaard: gevel max. 50% open/winddoorlatend; Metselsteiger: geen beperking aan openheid gevel. Stuwdruk volgens Eurocode.
  • verankering (zie ook figuur 2.2.6¹):
    • verankeringpatroon begint op 2 m hoogte en verankering maximaal 20 cm uit het knooppunt
    • maximaal rekenwaarde ankertrekkracht 5 kN voor Gevel /objectsteiger standaard (verankerd in metselwerk) en 7,5 kN voor Metselsteiger (verankerd in beton)

      Let op: De uittrekwaarden van verankeringen zijn in de praktijk vaak hoger dan hier genoemd. Om daarmee te mogen rekenen zijn per situatie testen noodzakelijk. In dat geval is er sprake van een bedrijfsconfiguratie.
       
    • gebruik van korte ankers (alleen binnenvlak) waarbij indien nodig extra V ankers dienen te worden geplaatst, of gebruik van lange ankers over 2 staanders
    • bovenste slag alle staanders verankerd bij 4 slag ankerpatroon
    • buitenste rij staanders: Indien de steiger niet omloopt dan de laatste staander voor de gevel extra verankeren (zie fig 2.2.61). Dus: 2 slag buitenste rij iedere slag verankeren en 4 slag buitenste rij om de 2 slagen. Bij steigers die in hoekvorm staan (ofwel steiger die om de hoek loopt) is dit niet van toepassing.
       
  • maximale uitdraailengte spindel 25 cm.
  • uitbouwconsole:
    • op iedere slag
    • bij metsel-/systeemsteiger 50 cm boven/onder werkvloer toegestaan
    • bij metsel-/traditioneel steiger 70 cm boven/onder werkvloer toegestaan
  • alle liggers en kortelingen zijn enkele buizen.
  • er mag geen goederen/personen lift aan de steiger worden verankerd
  • steiger mag niet op afwijkende grond worden geplaatst zoals hellingen steiler dan 1:10, daken, stromend water, pontons etc.
  • een doorgang, overbrugging of loopbrug met overspanning groter dan 6m is niet toegestaan
  • er mogen geen voorzieningen aan de steiger worden aangebracht (bijv. stortkoker)
  • steiger mag niet worden toegepast voor openbare toegankelijkheid / evenementen
  • mechanisch transport (anders dan handmatig) op de steiger is niet toegestaan
 
Figuur 2.2.6.1 Verankeringspatronen

Tabellen voor staanderafstanden

De navolgende tabellen tonen van enkele gevel /object steigers de maximaal toegestane staanderafstanden. Het gaat om:
  • gevel / objectsteiger standaard, vloeren volgens belastingklassen 2 en 4
  • metselsteiger, belastingklasse 4 op hoofdwerkvloer, belastingklasse 2 op uitbouw.
Er zijn tabellen opgenomen voor zowel buis- en koppeling steigers als systeemsteigers. Zie figuren 2.2.62 tot en met 2.2.67.
 
Hierbij moet worden aangetekend dat de staanderafstand afhankelijk is van de volgende factoren:
  • type steiger (buis- en koppeling steiger; systeemsteiger)
  • werkvloerbelasting (belastingklasse) en soort vloer
  • steigerbreedte
  • slaghoogte en totale steigerhoogte
  • wel of geen uitbouwconsoles
  • bekleding (onbekleed of 50% netten)
  • verankeringspatroon.
 
Figuur 2.2.6.2 Staanderafstanden belastingklasse 4 bij gevel//objectsteiger standaard (buis- en koppelingsteiger)
 
Figuur 2.2.6.3 Staanderafstanden, belastingklasse 2 bij gevel/-objectsteiger standaard (buis- en koppelingsteiger)
 
Figuur 2.2.6.4 Staanderafstanden bij metselsteiger met uitbouw (buis- en koppelingsteiger)
 
Figuur 2.2.6.5 Staanderafstanden, belastingklasse 4, bij gevel/-objectsteiger standaard (systeemsteiger)
 
Figuur 2.2.6.6 Staanderafstanden belastingklasse 2, bij gevel/-objectsteiger standaard (systeemsteiger)
 
Figuur 2.2.6.7 Staanderafstanden bij metselsteiger met uitbouw (systeemsteiger)

Een initiatief van

VSB Vereniging van Steiger-, Hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven
www. www.vsb-online.nl

Bouwend Nederland
www.bouwendnederland.nl

Printversie

Geïnteresseerd in een geprinte versie? Bekijk de informatie en bestel uw geprinte versie via ons online bestelformulier. 

Disclaimer

Bij de samenstelling van deze uitgave is door de Commissie Richtlijn Steigers en de instellingen en bedrijven die daaraan hebben meegewerkt, een zo groot mogelijke zorgvuldigheid betracht. Door de Commissie en meewerkende derden wordt echter geen aansprakelijkheid aanvaard indien gegevens uit deze uitgave niet mochten leiden tot het bedoelde resultaat of aanleiding mochten geven tot enigerlei schade.
U bevindt zich hier: Home Inhoud Richtlijn 2. ONTWERP (ALGEMEEN) 2.2 Configuraties en moeilijkheidsgraden van steigers