3.2.6 Sonderingen

De diepte van de vaste zandlaag varieert nogal in Nederland. Op de Utrechtse Heuvelrug bevindt de Pleistocene zandlaag zich vrijwel op maaiveldniveau, terwijl deze in Zuid- en Noord Holland op ongeveer 20 meter diepte (- N.A.P.) ligt. Er zal dus vaak bodemonderzoek nodig zijn.

Een veel gebruikte terreinonderzoeksmethode is sonderen. Er wordt een conus met gestandaardiseerde afmetingen de grond ingedrukt. Hierbij wordt de weerstand van de ondergrond tegen indringing van de conuspunt gemeten. Afhankelijk van de soort sondering kan ook de wrijvingsweerstand langs een deel van de conusmantel worden gemeten.

Zet je de gemeten conusweerstand uit tegen de diepte dan ontstaat een sonderingsgrafiek (zie figuur 3.2.61). Deze vormt de basis voor de berekening van de ondergrond.

Figuur 3.2.6¹ Voorbeeld van een sonderingsgrafiek

Handsondeerapparaat

De samenstelling van de bovenste grondlaag kan per locatie erg verschillen. Onderzoek daarnaar kan ook handmatig worden uitgevoerd. Het hiervoor in de markt zijnde sonderingsapparaat bestaat uit een sondeerconus met stang, druksensoren en een microprocessor die de metingen vastlegt (zie figuur 3.2.62).

Het apparaat wordt met de hand de grond ingedrukt. De diepte wordt bepaald door middel van een stalen referentieplaat waartegen ultrasone signalen worden weerkaatst. De uitgeoefende druk wordt bepaald door middel van sensoren. Dit is een betrouwbare manier om de indringingsweerstand van de toplaag van de grond tot 0,8 m diepte te meten. De meetresultaten kunnen direct op het apparaat worden afgelezen, en ook naar de computer worden overgezet.

Figuur 3.2.6² Handsondeerapparaat

Indicatieve methode

Is een handsondeerapparaat niet voorhanden, dan is er een eenvoudige alternatieve manier voor het onderzoeken van de bovenste laag (tot ongeveer 1 meter onder maaiveld). Dit gaat met een piketpaal van ongeveer 1 meter lang, met een doorsnede van 44 x 22 mm. Verricht hierbij de volgende handelingen:

  • zaag een punt aan de paal onder een hoek van 45° (aan 2 zijden);
  • breng op de paal markeringen aan h.o.h. 0,25 m (met potlood of stift);
  • sla de paal in de grond met een vuistje van 1 kg (slahoogte ongeveer 0,5 m);
  • tel het aantal slagen dat iedere keer nodig is om de paal 0,25 m de grond in te krijgen (dit heet kalenderen en komt uit de heibranche);
  • sla de paal minimaal 0,8 m de grond in zodat er in ieder geval 3 kalenderingen zijn te noteren.

Er is sprake van een voldoend dragende grond indien het gemiddeld aantal slagen per kalendering groter is dan vijf.

Een initiatief van

VSB Vereniging van Steiger-, Hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven
www. www.vsbnetwerk.nl

Bouwend Nederland
www.bouwendnederland.nl

Printversie

Geïnteresseerd in een geprinte versie? Bekijk de informatie en bestel uw geprinte versie via ons online bestelformulier. 

Disclaimer

Bij de samenstelling van deze uitgave is door de Commissie Richtlijn Steigers en de instellingen en bedrijven die daaraan hebben meegewerkt, een zo groot mogelijke zorgvuldigheid betracht. Door de Commissie en meewerkende derden wordt echter geen aansprakelijkheid aanvaard indien gegevens uit deze uitgave niet mochten leiden tot het bedoelde resultaat of aanleiding mochten geven tot enigerlei schade.
U bevindt zich hier: Home Inhoud Richtlijn 3. Werkvoorbereiding van project 3.2 Ondergrond 3.2.6 Sonderingen