3.2.1 Voetplaten en onderstoppingen

Staanders moeten altijd worden voorzien van een voetplaat of een voetspindel (zie figuur 3.2.1), tenzij aangetoond wordt dat de ondergrond draagkrachtig genoeg is. De voetplaat of voetspindel verdelen de staanderdruk over de oppervlakte van de ondergrond. En hieronder is altijd een onderstopping nodig, die de staanderbelasting spreidt naar de ondergrond tenzij wordt aangetoond dat de ondergrond voldoende draagkrachtig is.

 

Figuur 3.2.1 Voetplaten, voetspindels, onderstopping en schuine ondergrond

Voor een schuine ondergrond tot een tot een helling van 1:10 (10 cm op 100 cm) worden wiggen of kantelvoetspindels gebruikt. Bij een grotere schuinte moeten de lokale krachtsoverdracht en de sterkte van de verschillende onderdelen worden berekend en gecontroleerd.

Een initiatief van

VSB Vereniging van Steiger-, Hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven
www. www.vsbnetwerk.nl

Bouwend Nederland
www.bouwendnederland.nl

Printversie

Geïnteresseerd in een geprinte versie? Bekijk de informatie en bestel uw geprinte versie via ons online bestelformulier. 

Disclaimer

Bij de samenstelling van deze uitgave is door de Commissie Richtlijn Steigers en de instellingen en bedrijven die daaraan hebben meegewerkt, een zo groot mogelijke zorgvuldigheid betracht. Door de Commissie en meewerkende derden wordt echter geen aansprakelijkheid aanvaard indien gegevens uit deze uitgave niet mochten leiden tot het bedoelde resultaat of aanleiding mochten geven tot enigerlei schade.
U bevindt zich hier: Home Inhoud Richtlijn 3. Werkvoorbereiding van project 3.2 Ondergrond 3.2.1 Voetplaten en onderstoppingen